Gletsjers

In het zuiden van Noorwegen zijn 3 grote gletsergebieden te vinden :

Jostedalsbreen is het grootste gebied (zelfs het grootste op het Europese vasteland) met een oppervlakte van 487 m². Het ligt in het gebied tussen de Sognefjord en de Nordfjord. De bekendste gletsjertongen zijn de Nigardsbreen en de Briksdalbreen. Je kan er op verschillende plaatsen tot kort bij de gletsjertongen geraken. Op de Nigardsbreen kan je zelfs een (begeleide) wandeling maken.



De Jostedalbreen is geen overblijver uit de laatste ijstijd. Tussen 6000 en 9000 jaar geleden was hij volledig gesmolten. Sedertdien bouwde hij zich geleidelijk aan weer op. Het hoogste punt van de gletsjer ligt op 1956 meter, het laagste punt ligt op amper 60 meter boven de zeespiegel (de tong van de Suphellebreen). Het totale volume van de Jostedalbreen bedraagt 73 km³. Hij bevat voldoende water om de waterconsumptie van Noorwegen gedurende 100 jaar te garanderen.

  • Folgefonna ligt aan de Hardangerfjord (ten zuidoosten van Bergen) en heeft een oppervlakte van 168 km²
  • de Hardangerjokulen liggen ten oosten van Bergen en heeft een oppervlakte van 73 km². Om in de buurt van deze gletsjer te komen moet je een stevige wandeling makenvanuit Finse.


In de buurt van de Jostedalgletsjer (o.a. in de Jotunheimen) liggen nog een aantal kleinere gletsjers met een oppervlakte tussen 28 en 50 km².

Onderweg vonden we heel wat informatie over de gletsjers. Er zijn twee musea in de buurt van de Jostedalsbreen : het Breheimsenteret bij de Nigardsbreen en het Norske Bresetmuseum in Fjaerland. Als je een keuze maakt tussen één van beide, kies dan voor het Norske Bresetmuseum. De film die er gespeeld wordt (panoramisch zicht op 5 schermen) is ronduit spectaculair. Dichter kan je niet bij een gletsjer komen !

We geven hier voor de vuist weg een aantal weetjes die we wel willen onthouden, maar allicht toch zouden vergeten mochten we ze niet noteren :

  • Gletsjers ontstaan door een opeenhoping van sneeuw. Sneeuw die een zomer overleeft wordt firn genoemd. Door verdere insijpeling van water wordt dan gletsjerijs gevormd.
  • Als het ijs een dikte heeft van 20 meter gaat het onder invloed van de zwaartekracht schuiven. Het beweegt zich naar beneden, waarbij de ijsmassa zich onderaan gedraagt als een soort plastic, dat zich aanpast aan de vorm van de onderliggende vallei.
  • Gletsjers groeien en krimpen. Dit is onder andere een gevolg van lichte schommelingen van de baan van de aarde om de zon (die varieert met een cyclus van 40.000 jaar) en van de hellingshoek van de aarde op de het vlak waarin ze haar baan om de zon beschrijft.
  • Gletsjers gaan groeien bij zachte winters (meer sneeuw) en koude zomers (weinig smeltwater) en krimpen bij harde winters (weinig sneeuw) en warme zomers (veel smeltwaters).
  • Gedurende de piek van de laatste ijstijd (zo'n 20.000 jaar geleden) werd een groot deel van Europa bedekt door gletsjers. Het peil van de zeewater lag zo'n 100 meter lager dan nu (het Kanaal tussen Engeland en Frankrijk lag dan boven water). De laatste ijstijd eindigde ong. 12.000 jaar geleden.
  • In de tweede helft van de 18de eeuw was er nog een mini-ijstijd, waarbij de gletsjers opnieuw sterk aangroeiden.

  • Rivieren die gevoed worden door gletsjers hebben hun hoogste debiet in de zomer, als er veel smeltwaters uit de gletsjer komt. De watervallen rond de gletsjergebieden zijn dan ook in de zomer het meest spectaculair, terwijl het hoogtepunt voor andere watervallen net in de winter ligt.
  • Rivieren die niet gevoed worden door gletsjers hebben in de zomer een veel lager gebied.

  • Het ijs van de gletsjers ziet blauw. Dit komt doordat enkel het blauwe licht weerkaatst wordt door het ijs. Het gele en het rode licht dringen verder door in het ijs. Dit doet zich enkel voor omdat er vele onzuiverheden (vooral luchtbellen) in het ijs zitten. Perfect ijs zou geen kleur hebben.
  • De gletsermeren zien dikwijls wit, vooral in de zomer. Dit is het gevolg van het grotere zanddeeltjes die zich in het smeltwater bevinden. Die geven aan het water van de gletsjerrivieren een witte kleur (ook wel gletsjermelk genoemd). Dit effect is goed te zien op onderstaande foto, genomen bij het meer aan de Brikdsdalgletsjer.



  • De fjorden hebben dan weer een groene kleur, die afkomstig is van de klei- en modderdeeltjes die van bovenuit meegesleurd worden en die door de breking van het licht een groene kleur krijgen. In de winter worden er minder meegesleurd waardoor het water zijn blauwe kleur krijgt. In de lente worden er grotere hoeveelheden meegesleurd en krijgt het water zijn groene kleur.